Level 1 Level 3
Level 2

Woordenblok 2 (2/3 af)


85 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
bondgenoot
ὁ σύμμαχος
rust
ἡ ἡσυχίη
hemel
ὁ οὐρανός
zee
ἡ θάλασσα
tirannie
ἡ τυραννίς
tiran
ὁ τύραννος
bloeddorstig, moorddadig
μιαιφόνος
goed
χρηστός
aanstellen, invoeren, vaststellen
κατίστημι
bijeenbrengen, vechten
συμβάλλω +dat.
naam
τό οὔνομα
willen, bereid zijn
ἐθέλω
trouwen
γαμέω
trouwen (aor.)
ἔγημα
in bezit hebben, krijgen, (vast)houden
ἴσχω
op weg gaan
στέλλομαι
op weg gaan (aor.)
ἐστάλην
begroeten, toespreken
προσαγορεύω
begroeten, toespreken (aor.)
προσεῖπον
ter wereld brengen, baren, voorbrengen
τίκτω
ter wereld brengen, baren, voorbrengen (fut.)
τέξω
ter wereld brengen, baren, voorbrengen (aor.)
ἔτεκον
vallen
πίπτω
vallen (fut.)
πεσοῦμαι
vallen (aor.)
ἔπεσον
eerder, vroeger, vorig
πρότερος
orakel(uitspraak)
τό χρηστήριον
vernemen, vragen
πυνθάνομαι
vernemen, vragen (aor.)
ἐπυθόμην
begrijpen
συνίημι
begrijpen (aor.)
συνῆκα
te gronde richten, doden
διαφθείρω
kind, baby
τό παιδίον
vragen, eisen
αἰτέω
beraadslagen, overleggen, besluiten
βουλεύω
1. nadat, toen, wanneer 2. omdat, aangezien
ἐπείτε
goddelijk
θεῖος
geven, overgeven, uitleggen
παραδίδωμι
moord
ὁ φόνοσ
kind, het krijgen van kinderen
γόνος, ὁ
onheil, ongeluk, rampen
τὰ κακά
gaan staan, blijven staan
ἵσταμαι
gaan staan, blijven staan (aor.)
ἔστην
gaan staan, blijven staan (perf.)
ἕστηκα
deur, (ingang van het) paleis
θύρα, ἡ
weten, kennen
ἐπίσταμαι
schijnen te
φαίνομαι + inf.
mensen, schijnen
δοκέω
weggaan
ἀπαλλάσσομαι
zeggen, noemen
λέγω
zeggen, noemen (aor.)
εἶπον/εἶπα
zeggen, noemen (perf. pass.)
εἴρημαι
wegsturen; med: terug naar huis laten gaan, van zich afsturen
ἀποπέμπω
terugkeren
ἀπέρχομαι
groeien, groot worden
αὐξάνομαι
gevaar
κίνδυνος, ὁ
orakel(uitspraak)
χρησμός, ὁ
koning
βασιλεύς, βασιλέος, ὁ
achtervolgen, vervolgen
διώκω
zaak, ding; mv: bezittingen, geld
χρῆμα, χρήματος, τό
tiran zijn, heersen
τυραννεύω
meest, zeer veel
πλεῖστος
zodanig
τοιοῦτος
heersen over, regeren
ἄρχω + gen.
jaar
ἕτος, ἕτεος, τό
leven
βίος, ὁ
opvolger
διάδοχος, ὁ
bode, gezant
ἄγγελος, ὁ
hoe; +ind. zodra als; +opt. telkens als; +coni. (+ ἄν) of fut. opdat
ὅκως
gooien
ῥίπτω
terugkeren
νοστέω
zich verbazen over
θωμάζω + gen.
vertellen
ἀπηγέομαι
daar, daarheen; in die situatie, toen
ἐνθαῦτα
aan het licht brengen, tonen
ἐνθαῦτα
plaats
χῶρος, ὁ
rapporteren, vermelden, berichten
ἀπαγγέλλω
onmiddelijk, dadelijk
ἰθέως
boodschap, bericht
ἀγγελίη, ἡ
afkondiging
κήρυγμα, κηρύγματος, τό
zien
ὁράω
zien (aor.)
εἶδον
zien (perf.)
ὄπωπα
laten komen, uitnodigen, ontbieden
μεταπέμπομαι
ophouden met
παύομαι + ptc.