Level 7 Level 9
Level 8

Gefühle D-N


99 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
zich verheugen
(sich) freuen
gelukkig (zijn, emotie)
glücklich
gelukkig (gelukkig maar), geluk hebben
zum Glück (2x)
vrolijk
fröhlich
blij
froh
enthousiast
begeistert
goed-/slechtgehumeurd zijn
gut/schlecht gelaunt sein
beleven, meemaken
erleben (2x)
genieten (van)
genießen
verliefd
verliebt
houden van, beminnen
lieben (2x)
liefhebben, houden van
lieb haben (2x) (hat lieb, hatte lieb, lieb gehabt)
verdragen, iemand leuk vinden
leiden können (2x)
kussen (elkaar kussen, iemand de hand kussen)
küssen (sich küssen, jemandem die Hand küsse)
kus
der Kuss ("-e)
vertrouwen (znw)
das Vertrauen
mogen, aardig vinden, lusten
mögen (3x) (mag, mochte, gemocht)
zin
die Lust
humeur
die Laune
kalmeren, geruststellen
beruhigen (2x)
treurig, bedroefd
traurig (2x)
huilen (stilletjes)
weinen
traan
die Träne (-n)
pijn doen
weh tun (tat weh, weh getan)
teleurstellen
enttäuschen
lijden
leiden (litt, gelitten)
leed, verdriet, zorg
der Kummer (3x)
zorg
die Sorge (-n)
angst
die Angst ("-e)
angstig (bang)
ängstlich
vrezen, bang zijn
(sich) fürchten (2x)
schrikken (ergens van)
erschrecken (erschrickt, erschrak, erschrocken)
zenuwen
die Nerven
ergernis, irritatie
der Ärger (2x)
(zich) opwinden
(sich) aufregen
kwaad zijn, woedend zijn
sauer sein (2x)
voldoende zijn, genoeg van iets hebben
reichen (2x)
ontzet ontdaan
entsetzt (2x)
haten, een hekel hebben aan
hassen (2x)
jaloers
eifersüchtig
wantrouwen (znw)
das Misstrauen
benijden, afgunstig zijn
beneiden (2x)
beledigen
beleidigen
vrezen
befürchten
saai, vervelend
langweilig (2x)
(zich) vervelen
(sich) langweilen
liefde
die Liebe
haat
der Hass
schaamte
die Scham
afgunst
der Neid
jaloezie
die Eifersucht
walging
der Ekel
trots
der Stolz
afschuw
die Abscheu
wil
der Wille
weerzin
der Widerwille
bewondering
die Bewunderung
tevredenheid
die Zufriedenheit
verdriet, rouw
die Trauer (2x)
leedvermaak
die Schadenfreude
bang zijn voor
Angst haben vor (+3)
haten
hassen
zich schamen (voor)
sich schämen
benijden
beneiden (1x)
walgen
sich ekeln
verafschuwen
verabscheuen
bewonderen
bewundern
verdriet hebben, rouwen, treuren
trauern (3x)
vals, listig, gemeen, achterbaks
hinterlistig (4x)
verlegen
schüchtern
verlegen, schuw
scheu (2x)
verontwaardigd
empört
verontwaardiging
die Empörung
optimistisch, vol zelfvertrouwen
zuversichtlich (2x)
zelfverzekerd
selbstsicher
betrouwbaar
vertrauensvoll
gelaten
gelassen
losjes, makkelijk, nonchalant
lässig (3x)
boos
zornig
boosheid
der Zorn
gepassioneerd
leidenschaftlich
passie
die Leidenschaft
neerbuigend
herablassend
gevoelig
empfindlich
serieus
ernst
belachelijk
lächerlich
zich amuseren
sich vergnügen
prikkelbaar
reizbar
onfatsoenlijk
unanständig
zich opwinden
sich erregen
angst
die Furcht
aandachtig, attent
aufmerksam (2x)
scherpzinnig, sluw, pienter
schlau (3x)
slim, intelligent
klug (2x)
laf
feige
kritiek, verwijt, terechtwijzing
der Tadel (3x)
onverschrokken
unverzagt
verstandig, wijs
vernünftig (2x)
correct, bedachtzaam, verstandig
einsichtsvoll (3x)