Level 2
Level 1

Woorden 1 t/m 40 (ipse)


38 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
en
-que
die/dat, wie/wat (betr. vnw.)
qui, quae, quod (gen. cuius)
wat voor een? (vragend vnw.)
qui, quae, quod? (gen. cuius)
wat?
quid?
wie?, wat?
quis, quid? (gen. cuius)
en, ook
et
perf. van sum (esse)
fui
part. fut. van sum (esse)
futurus
zijn
esse (inf. van sum)
zijn
sum (esse)
in, op, bij
in (+abl.)
naar, naar binnen
in (+acc.)
hij, zij, het; deze, dit; die, dat
is, ea, id (gen. eius)
hier
hic
deze, dit
hic, haec, hoc; huius
niet
non
toen, nadat; omdat; hoewel
cum (+conj.)
wanneer, toen
cum (+ind.)
met
cum (+abl.)
naar, bij, tot
ad (+acc.)
die, dat; hij, zij, het
ille, illa, illud (gen. illius)
hoe, hoe?, hoe!; zoals
ut
hoe dan ook, tenminste, beslist
utique
(op)dat, om te; (zo)dat
ut (+conj.)
zodra (als)
ut (+ind.)
ieder, elk; (ge)heel
omnis, -e
allen (personen), alle (dingen)
omnes (mv.)
alles
omnia (mv.)
weg van, van(af); door (toedoen van)
a(b) (+abl.)
zijn, haar, hun (eigen)
suus, sua, suum
perf. act. van dico (dicere)
dixi
ppp. van dico (dicere)
dictus
zeggen, spreken, noemen
dico (dicere)
woord
dictum
en niet, ook niet, noch
nec
vanaf; over; wegens
de (+abl.)
maar
sed
zelf, hijzelf; juist
ipse, ipsa, ipsum (gen. ipsius)