Level 2 Level 4
Level 3

hoofstuk 7-10


291 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
le repas
de maaltijd
le petit-déjeuner
het ontbijt
le déjeuner (le dîner)
het middagmaal
le souper (le dîner)
het avondmaal
le menu
de menu
une assiette
een bord
la fourchette
de vork
la cuillère, (cuiller)
de lepel
le couteau
het mes
mettre la table
de tafel dekken
à table
aan tafel
Bon appétit!
Smakelijk!
Santé!
Gezondheid!
Passe-moi la viande, s.t.p.
Geef mij het vlees door , aub
Encore un peu de ...?
Nog een beetje...?
C'est bon!
Het is lekker!, het is goed eten!
le légume
de groente
la salade
de salade
la tomate
de tomaat
la carotte
de wortel
le champignon
de paddenstoel
une aubergine
een aubergine
le brocoli
de brocoli
le céleri
de selder
le chicon
het witloof
l'endive (f)
de andijvie
le chou de Bruxelles
het spruitje
le chou-fleur
de bloemkool
le concombre
de komkommer
la courgette
de courgette
les crudités
de rauwkost
les épinards
de spinazie
le haricot vert
het princessenboontje
le petit pois
het erwtje
un oignon
een ui
le poireau
de prei
le poivron
de paprika
le radis
de radijs
le fruit
het stuk fruit
la pomme
de appel
la poire
de peer
la banane
de banaan
une orange
een sinaasappel
la cerise
de kers
la fraise
de aardbei
la framboise
de framboos
la nectarine
de nectarine
le kiwi
de kiwi
le melon
de meloen
le citron
de citroen
la pêche
de perzik
la prune
de pruim
un ananas
een ananas
le raisin
de druif
le pamplemousse
de pompelmoes
le pain
het brood
la baguette
het stokbrood
le croissant
de croissant
le riz
de rijst
les (f)
de pasta/deegwaren
la farine
de bloem
la viande
het vlees
la charcuterie
de fijne vleeswaren
le jambon
de hesp
la tartine
de boterham
la confiture
de jam
le fromage
de kaas
le beurre
de boter
le yaourt
de yoghurt
un oeuf
een ei
le sucre
de suiker
la soupe
de soep
les frites (f)
de frieten
la pomme de terre
de aardappel
les spaghettis (m)
de spaghetti
les céréales (f)
de ontbijtgranen
les chips (f)
de chips
la pizza
de pizza
la sauce
de saus
la mayonnaise
de mayonaise
le dessert
het dessert
la glace
het ijsje
le chocolat
de chocolade
manger
eten
avoir faim
honger hebben
avoir soif
dorst hebben
je voudrais (...)
ik zou graag... willen
j'ai envie de/d'(...)
ik heb zin in...
un kilo de(...)
een kilo...
cent grammes de (...)
honderd gram ...
un morceau de (...)
een stukje...
le vin
de wijn
l'eau (f)
het water
le lait
de melk
la bière
het bier
la limonade
de limonade
le coca
de cola
le jus de fruit(s)
het fruitsap
le café
de koffie
le thé
de thee
le chocolat (chaud)
de (warme) chocolademelk
boire
drinken
un verre de
een glas
une tasse de
een kopje
une bouteille
een fles
un litre de
een liter
ça fait combien?
hoeveel kost het?
la fête
het feest
un anniversaire
een verjaardag
le mariage
het huwelijk
la naissance
de geboorte
Pâques
Pasen
(la) Noël
Kertmis
le jour de l'An
nieuwjaarsdag
le Nouvel An
Nieuwjaar
le carnaval
carnaval
Bonne fête!
Gelukkige feestdag!
Félicitations!
Proficiat!
Joyeuses Pâques!
Vrolijk Pasen!
Joyeux anniversaire!
Gelukkige verjaardag
Joyeux Noël!
Vrolijk Kerstfeest
Bonne Année
Gelukkig Nieuwjaar!
Bravo!
Bravo!
C'est chouette!
Het is tof!
Formidable!
Geweldig!
Bonne chance!
Veel geluk!
Super!
Super
le temps
de tijd
la date
de datum
le jour
de dag
la journée
de dag (duur)
le matin
de ochtend
l'après-midi
de namiddag
le soir
de avond
la nuit
de nacht
minuit
middernacht
la minute
de minuut
l'heure (f)
het uur
la seconde
de seconde
après
na
avant
voor
déja
al
tard
laat
tôt
vroeg
maintenant
nu
tout de suite
onmiddellijk
ne...jamais
nooit
jusqu'à
tot
toujours
altijd
la fois
de keer
il est une heure
het is één uur.
il est deux heures et demie.
het is halfdrie.
Il est sept heures dix.
Het is tien over zeven.
à quelle heure?
om hoe laat?
à neuf heures.
om negen uur.
l'an (m)
het jaar
l'année (f)
het jaar (duur)
le mois
de maand
janvier
januari
février
februari
mars
maart
avril
april
mai
mei
juin
juni
juillet
juli
août
augustus
septembre
september
octobre
oktober
novembre
november
décembre
december
la semaine
de week
le jour
de dag
la date
de datum
lundi
maandag
mardi
dinsdag
mercredi
woensdag
jeudi
donderdag
vendredi
vrijdag
samedi
zaterdag
samedi
zaterdag
dimanche
zondag
la saison
het seizoen
l'automne (m)
de herfst
l'été (m)
de zomer
l'hiver (m)
de winter
le printemps (m)
de lente
en automne
in de herfst
au printemps
in de lente
en été
in de zomer
en hiver
in de winter
on est le combien?
de hoeveelste zijn we?
Aujourd'hui, nous sommes...
Vandaag zijn wij ...
le premier mars.
1 maart
le trois juin.
3 juni
la couleur
de kleur
jaune
geel
rouge
rood
vert
groen
noir
zwart
blanc
wit
bleu
blauw
gris
grijs
orange
oranje
rose
roze
mauve
paars
brun
bruin
foncé
donker
clair
licht
le malade
de zieke
le docteur
de dokter
le médicament
het geneesmiddel
la tête
het hoofd
le nez
de neus
l'oeil (m)
het oog
l'oreille (f)
het oor
la bouche
de mond
la dent
de tand
le ventre
de buik
le dos
de rug
le bras
de arm
la main
de hand
le doigt
de vinger
la jambe
het been
le genou
de knie
le pied
de voet
les yeux (m)
de ogen
les cheveux (m)
het haar
malade
ziek
grand
groot
petit
klein
blond
blond
roux, rousse
ros
long,longue
lang
court
kort
beau,belle
mooi
joli
mooi,aardig,lief
fort
sterk
bon,bonne
goed
mauvais
slecht
gentil,gentille
aardig,lief
bien
goed
mal
slecht
porter
dragen
tomber
vallen
attendre
wachten
se laver
zich wassen
dormir
slapen
se lever
opstaan
avoir mal à
pijn hebben aan
pouvoir
kunnen,mogen
aider
helpen
donner
geven
prendre
nemen
devoir
moeten
rester
blijven
(se) rencontrer
(elkaar) ontmoeten
prendre
nemen
se saluer
begroeten
prendre congé de qqn
afscheid nemen
faire la connaissance de qqn
met iemand kennismaken
Bonjour, Madame
goedendag, mevrouw
Bonjour, Monsieur
Goedendag meneer
Bonjour Mademoiselle
Goedendag juffrouw
ça va?
gaat het?
ça va bien.
het gaat goed
Et toi/vous?
En met jou/u?
Comment ça va?
Hoe gaat het?
Salut!
Dag!
Au revoir!
Tot ziens
à bientôt
tot gauw, tot binnenkort
à demain
tot morgen
Tu donneras le bonjour à ton père?
Doe je de groeten aan je vader?
je n'y manquerai pas!
Dat doe ik zeker!
remercier
bedanken
Merci!
Bedankt, dank u!
Merci beaucoup!
Hartelijk dank!
Merci bien!
Dank u wel!
Non, merci!
Neen,dank u!
De rien!
Graag gedaan! Zonder dank!
formules de politesse
beleefdheidsuitdrukkingen
S'il vous plaît?
Alstublieft?
Pardon
Sorry
Excusez-moi
excuseer mij
exprimer ses sentiments
zijn gevoelens uitdrukken
heureux, heureuse
gelukkig
malheureux, malheureuse
ongelukkig
triste
droevig
content
blij
sympa
sympathiek
bien
goed
amoureux, amoureuse
verliefd