Level 74
Level 75

Klas 4


277 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
en
-que
die, dat; wie, wat; dewelke (betr. vnw.)
qui, quae, quod (gen. cuius)
wat voor een? (vragend vnw.)
qui, quae, quod? (gen. cuius)
wat?
quid?
wie? wat?
quis, quid? (gen. cuius)
1 en 2 ook
et
perfectum van esse
fui
part. fut. van sum (esse)
futurus
zijn
esse (inf. van sum)
zijn
esse (sum)
in, op, bij
in + abl.
naar, naar buiten
in + acc.
1 hij, zij, het; 2 deze, dit; die, dat
is, ea, id (gen. eius)
hier
hic
deze, dit
hic, haec, hoc; huius
niet
non
1 toen 2 omdat 3 hoewel
cum + coni.
wanneer, toen
cum + ind.
samen met
cum + abl.
tot, naar, bij
ad + acc.
1 die, dat 2 hij, zij, het
ille, illa, illud (gen. illius)
1 hoe?/! 2 zoals
ut
hoe dan ook, tenminste, beslist
utique
opdat, om te, zodat
ut + coni.
zodra (als)
ut + ind.
geheel, ieder, elk
omnis, omne
allen (personen), alle (zaken)
omnes (mv.)
alles
omnia (mv.)
weg van
a(b) + abl.
zijn eigen, haar eigen, hun eigen
suus, a, um
perf. act. van dico
dixi
ppp. van dico
dictus
zeggen, spreken, noemen
dicĕre (dico)
woord
dictum
en niet, ook niet, noch
nec
1 vanaf 2 over 3 wegens
de (+ abl.)
maar
sed
1 zelf, hijzelf 2 juist
ipse, ipsa, ipsum (gen. ipsius) (nr. 40)
indien, als
si
1 door ... heen 2 gedurende 3 door (middel van)
per + acc.
pf. van posse: kunnen
potui
kunnen
posse (possum)
perf. act. van facere (facio)
feci
1 ppp van facio 2 ppp van fieri
factus
maken, doen
facĕre (facio)
1 feit 2 daad
factum
pf. van vidēre
visus sum
ppp. van vidēre
visus
zien
vidēre (video)
1 schijnen 2 gezien worden
video (videri) (pass. van vidēre)
mijn
meus, a, um
perf. act. van habēre
habui
ppp van habēre
habitus
hebben, houden
habēre (habeo)
jouw, uw
tuus, tua, tuum
uit, van(uit), vanaf
e, ex
1 zich 2 hij, zij, het; zij (in aci)
se
god
deus, i
je, jou, u
te (acc/abl van tu)
mij, me
me (acc/abl van ego)
ongeluk, tegenspoed
res adversae
krijgsdaden
res gestae
omwenteling, revolutie
res novae
staat
res publica, rei publicae
geluk, voorspoed
res secundae
zaak, ding
res, rei
al, reeds
iam
niet meer
non iam, iam non
pf. van dăre: geven
dĕdi
ppp van dăre
datus
geven
dăre (do)
en
atque
of
aut
sommigen ... anderen
alii ... alii
de een ... de ander
alius ... alius
(een) ander
alius, alia, aliud
dag
dies, ei
onze
noster, nostra, nostrum (nr. 80)
koning
rex, regis
dat. van tu: (aan/voor) jou/u
tibi
komen
venīre (venio)
veel
multo
zeer, erg, veel
multum
vele(n)
multi, multae, multa (mv.)
veel
multus, a, um (plures, plurimus)
één, (als) enige, alleen
unus, a, um
groot
magnus, a, um (maior, maximus)
maar; echter
autem
niet
non
1 (op)dat niet, om niet, om te voorkomen dat 2 dat, om te
ne (+ coni.)
mens, man
homo, hominis
tijd
tempus, temporis
ook, zelfs
etiam
ook als
etiamsi, etiam si
en
ac
(een zeker) iemand, (een zeker) iets
quidam, quaedam, quiddam (gen. cuiusdam) (zelfst.)
1 een zekere 2 enkele, enige
quidam, quaedam, quoddam (gen. cuiusdam) (bijv.)
jij, u
tu
eerste
primus, a, um
eerst, aanvankelijk
primo
eerst, ten eerste
primum
immers, want, namelijk
enim
perf. act. van ferre
tuli
1 dragen, brengen 2 verdragen
ferre (fero)
toch, echter
tamen
zo groot, zoveel
tantus, a, um
1 alleen maar, slechts 2 zozeer
tantum (bijw.)
zoveel, een zo grote massa of menigte
tantum (+ gen.)
ik
ego
dat. van ego: (aan/voor) mij
mihi
zo
sic
plaats
locus (mv. loci of loca)
geen
nullus, a, um
vader
pater, patris
1 heer 2 heerser
dominus
nu
nunc
1 hand 2 groep
manus, manus
1 wijze, manier 2 maat, beperking
modus (nr. 120)
1 echter, maar 2 werkelijk, inderdaad
vero
maar
verum
geest, (ge)moed, ziel
animus
aarde, grond, land
terra, ae
man
vir, viri
dezelfde, hetzelfde
idem, eadem, idem (gen. eiusdem)
thuis
domi
naar huis
domum (acc.; bij ww van gaan)
huis
domus, domus
omdat
quia
of
vel
en niet, ook niet, noch
neque
(ge)hele
totus, a, um (gen. totius)
horen, luisteren
audire
1 deel 2 kant
pars, partis
nacht
nox, noctis
leven
vita, ae
goed
bonus, a, um (melior, optimus)
goederen (mv)
bona, orum
het goede, iets goeds
bonum, i
maar
at
want
nam
onderling, elkaar
inter se
tussen, te midden van
inter + acc.
lichaam
corpus, corporis
slecht
malus, a, um (peior, pessimus)
ramp, slechte daad
malum, i
naam
nomen, nomĭnis
liefde
amor, amōris
die, dat
iste, ista, istud (gen. istius)
1 omdat 2 dat, (wat betreft) het feit dat
quod
perf. act. van agĕre
egi
kom, welaan (imp. van agĕre)
age
1 voeren, (voort)drijven 2 doen, verrichten 3 behandelen
agĕre (ago)
1 totdat 2 mits
dum + coni.
1 terwijl 2 zolang als
dum + ind.
de dood
mors, mortis
slechts, alleen maar
solum
alleen, als enige
solus, a, um (gen. solius)
jaar
annus, i (nr. 160)
perf. act. van differo
distuli
zonder
sine (+ abl.)
jongen, slaaf
puer, pueri
niets
nihil
lang
longus, a, um
verreweg, veruit
longe (+ comp.)
hemel
caelum, i
zo
ita
zoon
filius, i
1 waar? 2 waar (betr. vnw.)
ubi?
zodra, wanneer
ubi
ook
quoque
tevoren, vroeger
ante
vóór
ante + acc.
gedicht, lied
carmen, carminis
1 zeker, ongetwijfeld, stellig, inderdaad 2 weliswaar 3 althans
quidem
zelfs niet
ne ... quidem
weliswaar ... maar
quidem ... sed
stad
urbs, urbis
ieder, elk
quisque, quaeque, quodque (bijv.)
ieder, elk
quisque, quidque (zelfst.)
daarna, later
post
na
post (+ acc.)
onder
sub + acc. of abl.
zeggen, beweren
aio, ais, ait, aiunt (geen inf.)
een of ander, enig
(ali)qui, (ali)qua, (ali)quod (bijv.)
iemand, iets
(ali)quis, (ali)quid (zelfst.)
ni, nisi, num, ne
ali- (van aliqui, aliqua, etc.) valt weg na...
perf. act. van capĕre (capio)
cēpi
vangen, pakken, nemen
capĕre (capio)
perf. van ire (eo)
ii
ppp van ire (eo)
itus
gaan, komen
ire (eo)
houden van, liefhebben
amare (amo)
1 ppp van tendere 2 ppp van tenēre
tentus
(vast)houden
tenēre (teneo)
1 als niet, tenzij 2 behalve
nisi
soldaat
miles, militis
altijd
semper (nr. 200)
wij, ons
nos
reden, oorzaak
causa
wegens
causā (+ gen.)
woord
verbum
toen, dan
tunc
1 zoeken 2 vragen, informeren naar
quaerĕre (quaero)
1 ontvangen, verkrijgen 2 vernemen
accipĕre (accipio)
1 voor, ter verdediging van 2 in plaats van 3 ten behoeve van
pro (+ abl.)
toen, dan
tum
1 hoe groot 2 zo groot als
quantus, a, um
hoezeer, zozeer als
quanto
1 hoeveel, hoezeer 2 zoveel als, zozeer als
quantum
hoeveel, zoveel
quantum (+ gen.)
oorlog
bellum, i
perf. act. van ponĕre
posui
ppp. van ponĕre
positus
plaatsen, neerleggen
ponĕre (pono)
1 geweld, kracht 2 macht
vis, mv. vires
1 worden 2 gebeuren 3 gemaakt worden, gedaan worden
fieri (fio)
broer
frater, fratris
moeder
mater, matris
perf. act. van iubēre
iussi
ppp. van iubēre
iussus
bevelen (aan)
iubēre (iubeo) + acc.
bevel
iussum
zo'n, een zodanige, zulke
talis, tale
mond, gezicht
os, oris
1 vragen, verlangen 2 streven naar 3 gaan naar, afgaan op
petĕre (peto)
er/het is nodig
opus est (+ abl.)
ik heb nodig
opus est mihi (+ abl.)
werk
opus, opĕris
perf. act. van ducĕre
duxi
leiden, brengen
ducĕre (duco)
zo, zozeer
tam
onschendbaar, heilig
sanctus, a, um
waar, echt
verus, a, um
ppp. van legĕre ((uit)gekozen, uitgezocht, voortreffelijk)
lectus
1 verzamelen 2 (uit)kiezen 3 lezen
legĕre (lego)
geloven, vertrouwen, toevertrouwen
credĕre (credo) (+ dat.)
zorg
cura, ae (nr. 240)
zenden, sturen
mitĕre (mitto)
geest, verstand
mens, mentis
meer
plus
meer
plures, plura (mv.) (gen. plurium)
een grotere hoeveelheid, meer
plus (gen. pluris) (+ gen.)
weten
scire (scio)
overwinnen, overtreffen
vincĕre (vinco)
perf. act. van vincĕre
vici
ppp. van vincĕre
victus
leven
vivĕre (vivo)
perf. act. van vivĕre
vixi
ptc. fut. van vivĕre
victurus
bloed
cruor, cruoris
vuur
ignis, ignis
superlativus van magnus: grootste, zeer groot
maximus, a, um
vooral, het meest
maxime
meisje
puella
dapper, sterk
fortis, forte
vijand
hostis, hostis
overigens, verder
ceterum
overige(n)
ceteri, ae, a (mv.)
overig
ceterus, a, um
wapens
arma, armorum (onz. mv.)
1. gewoonte, gebruik (ev); 2. karakter, levenswijze, gedrag (mv).
mos, moris
dikwijls, vaak
saepe
roepen, noemen
vocare (voco)
vriendin
amica, ae
vriend
amicus, i
1. afkomst; 2. geslacht
genus, generis
"dit is een vraag" (niet vertalen)
-ne
1. stem; 2. woord
vox, vocis
de een, de ander (van twee)
alter, altra, altrum
meer
magis
schrijven
scribĕre (scribo)
twee
duo, duae, duo
ptc. van sequi
secutus
volgen
sequi (sequor)
vaardigheid, kunst, wetenschap
ars, artis
1. hoofd; 2. hoofdstad
caput, capitis (onz.)
bewegen, verplaatsen
movēre (moveo) (nr. 280)