Level 26 Level 28
Level 27

Tijd (čas)


91 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
ráno
ochtend (tot 09.00) (o)
dopoludnie
morgen (o)
dopoludnia
's morgens
poludnie
middaguur (o)
popoludnie
middag (o)
popoludní
' s middags
večer
avond (na zonsondergang) (m)
Koľkého je dnes?
Welke datum (o) is het vandaag?
Koľko je hodín?
Hoe laat is het?
Je ... hodina.
Het is ... uur.
jeden
één (m)
dva
twee (m)
jeden týždeň
een week (m)
predvčerom
eergisteren
včera
gisteren
dnes
vandaag
dnes večer
vanavond
zajtra
morgen
pozajtra
overmorgen
pondelok
maandag (m)
utorok
dinsdag (m)
streda
woensdag (v)
štvrtok
donderdag (m)
piatok
vrijdag (m)
sobota
zaterdag (v)
nedeľa
zondag (v)
január
januari (m)
február
februari (m)
marec
maart (m)
apríl
april (m)
máj
mei (m)
jún
juni (m)
júl
juli (m)
august
augustus (m)
september
september (m)
október
oktober (m)
november
november (m)
december
december (m)
jar
lente (v)
leto
zomer (o)
jeseň
herfst (v)
zima
winter (v)
kedy
wanneer
mesiac
maan (m)
rok
jaar (m)
Je šesť hodín ráno.
Het is zes uur in de ochtend (o).
štvrť na dve
kwart over één (lett: een kwart NAAR twee)
trištvrte na dve
kwart voor twee (lett: drie kwarten NAAR twee)
pol na dve
half twee
ako
als
neskoro
laat
včas
op tijd (m)
budúci týždeň
volgende week
minulý rok
vorig jaar (m)
od
vanaf (datum)
do
tot (datum)
za
tijdens (+g)
z
uit / vanaf (+g)
potom
toen / dan (vervolgens) / dan (als logisch gevolg) (Eng: then)
počas
tijdens / gedurende / onder (+g)
teraz
nu
takmer
bijna
vždy
altijd
zvyčajne
gebruikelijk / doorgaans
niekedy
ooit
zriedka
zelden
nikdy
nooit
súčasne
tegeljkertijd
navečer
tegen de avond
príliš skoro
te vroeg
skoro
vroeg
načas
op tijd
neskoro
laat
neskôr
later
príliš neskoro
te laat
čoskoro
spoedig
ešte raz
nogmaals
zrazu
plotseling
okamžite
onmiddelijk
oneskorený
vertraagd
Autobus je príliš skoro.
De bus is te vroeg.
Moje lietadlo je včas.
Mijn vliegtuig is op tijd.
Vlak je oneskorený.
De trein is vertraagd.
Električka je neskoro.
De tram is te laat.
skoro ráno
's morgens vroeg
navečer
vroeg in de avond
okolo obeda
rond de middag
budúcnosť
toekomst (m)
v budúcnosti
in de toekomst (m)
minulý
vorige
minulý čas
verleden tijd (m)