Level 6 Level 8
Level 7

Les 4


71 words 0 ignored

Ready to learn       Ready to review

Ignore words

Check the boxes below to ignore/unignore words, then click save at the bottom. Ignored words will never appear in any learning session.

All None

Ignore?
غاب عن; يغيب عن
afwezig zijn bij / missen
سابِق
vorig (niet مسبق)
حَفلة ذِكرى / حفلة الذكرى
herdenkingsfeest / verjaardagsfeest
سَنَويّ
jaarlijks
سعيد; سُعَداء
gelukkig
صِحّة
gezondheid
مَصنَع; مَصانِع
fabriek
مَريض; مَرْضى
ziek; zieke
مَرَض; أَمْراض
ziekte
لم يعرِفْ
hij wist niet
خاف على; يخاف على
bang zijn voor / vrezen voor
خاف من; يخاف من
bang zijn van
نَفس الليلة
dezelfde avond (niet ذات) / dezelfde nacht
مُستَشفى
ziekenhuis
بُرتُقال
sinaasappel
مَوز
banaan
عُلْبة
doos/ blik / fles / pak / pakket / tray
كَعْك
koek; cake
مَبْنى
gebouw
مَمشى; مَماشٍ
gang / voetpad / passage (niet ممر)
قاعة
zaal
طَرَقَ; يَطْرُقُ
kloppen
أَلَم; آلام
pijn (niet وجع)
شَديد; أَشِدّاء
hevig
سَلامَتُكَ
beterschap
قالَ; قُلتُ; يَقولُ
zeggen
كانَ; كُنتُ; يَكونُ
zijn
قامَ; قُمت; يُقوم
opstaan / doen / uitvoeren / ondernemen
ماتَ; مُتُّ; يَموتُ
sterven
ساقَ; سُقتُ; يَسوقُ
sturen (niet قاد)
زارَ; زُرتُ; يَزورُ
bezoeken
عادَ; عُدْتُ; يَعودُ
terugkeren
عَاشَ; عِشْتُ; يَعيشُ
leven (ww)
صارَ; صِرْتُ; يَصيرُ
worden (niet بات، أصبح)
باعَ; بِعْتُ; يَتيعُ
verkopen
زادَ; زِدْتُ; يَزيدُ
toenemen; toevoegen
غابَ; غِبْتُ; يَغيبُ
afwezig zijn / missen
طارَ; طِرْتُ; يَطيرُ
(v. I) vliegen
جاءَ; جِئْتُ; يَجيءُ
komen; bereiken; brengen (niet أتى)
سارَ; سِرْتُ; يَسيرُ
gaan / voortgaan / wandelen / werken (niet مشي)
ضاع; ضِعْتُ; يَضيعُ
zoek raken
نامَ; نِمْتُ; يَنامُ
slapen
خافَ; خِفْتُ; يَخافُ
bang zijn; vrezen
نالَ; نِلْتُ; يَنالُ
krijgen
شاءَ; شِئْتُ; يَشاءُ
wensen (niet تمنى/ رجا/ رغب)
زالَ; زِلْتُ; يَزالُ
ophouden (met ww)
كَوَّنَ
vormen; samenstellen
نَوَّمَ
in slaap brengen
نَيَّلَ
laten (ver)krijgen
عَيَّشَ
levend maken
زَيَّدَ
doen toenemen; vermeerderen
خَوَّفَ
bang maken
زَوَّجَ
verdubbelen / (laten) trouwen / (v. II)
زَوَّدَ
bevoorraden / leveren / voorzien van
غَيَّرَ
veranderen
زَيَّنَ
versieren
أّقامَ; أَقَمتُ; يُقيمُ
verblijven / oprichten / ondernemen / organiseren (IV)
أَرادَ; أَرَدتُ; يُريدُ
willen
أَعاشَ; أَعَشتُ; يُعيشُ
laten leven
سَلامة
veiligheid / integriteit / welzijn / gezondheid / leefbaarheid
صِحّة
gezondheid
وِسادة
kussen (znw)
حَلق
keel
حُبّة; حُبوب
pil
مُمَرِّضة
verpleegster
مُلْتَهِب
ontstoken / brandend / gloeiend
حَرارة
temperatuur/ hitte
أنا مُحْتاج إلى
ik heb nodig
اِهتَمَّ ب; يَهْتَمُّ ب
zorgen voor / behartigen / waarnemen / (v8/ &vz)
شَيْء آخَر
iets anders
زيارة
bezoek